Inleiding

In de tijd van de West Indische Compagnie was de aandacht voor het onderwijs (net als in Nederland) nog niet zo groot. Belangrijk was slechts dat er een schoolmeester was voor de groep Hollanders. In noodgevallen richtten de ouders zelf een schooltje op, terwijl sommige “shons” in de buitendistricten zelf een huisonderwijzer hadden. Denk bijvoorbeeld aan Sabel die ten tijde van de opstand (1795) te Porto Marie woonde.

Over het katholiek onderwijs voor 1842 is zo goed als niets bekend. Dat het niet best was, moge blijken uit wat mgr. Niewindt later schreef:

  • "In het jaar 1824 was hier in de stad een school voor katholieken, zo ellendig als immer mogelijk. Alle kinderen moesten dus op scholen van protestanten gaan, van wie er sommige, uit een wetenschappelijk oogpunt beschouwd, niet veel beter waren dan de zoëven genoemde school der katholieken. Op de andere, die door de meer gegoede stand bezocht werden, gaf men de kinderen de ongodsdienstigste lessen en werden onze heilige godsdienst en dezelfs dienaren openlijk bespot."

De toestand veranderde enigszins toen op 12 januari 1842 de eerste drie zusters van Roosendaal hier aankwamen. Zij werden nog hetzelfde jaar gevolgd door een tweede groep van vijf. Zij gaven les aan allerlei kinderen. Godsdienstlessen mochten alleen buiten schooluren gegeven worden. De zusters gaven (gescheiden) les aan jongens en meisjes. Pas in 1886 kwamen de fraters van Tilburg die het onderwijs voor jongens in de stad overnamen.

Komst van de fraters

In november 1882 bracht mgr. Van Ewijk een bezoek aan de fraters te Tilburg (daar zit de algemene overste van de fraters) om te vragen of men fraters wilde sturen naar Curaçao. Het verzoek werd afgewezen.

In 1884 probeerde pater Reynen, de overste van de Nederlandse paters op Curaçao, het ook nog eens. Ook hij boekte geen resultaat.

Later besprak hij een en ander met mgr. Kieckens. Men dacht aan een college waar priesters een opleiding zouden kunnen volgen. In die tijd hadden de fraters van Tilburg ook paters (tot 1916) en zodoende voldoende mensen met bekwaamheden om voor deze opleiding te kunnen zorgen. Dit alles schreef mgr. Kieckens in een brief aan de algemene overste van de fraters van Tilburg. (Wie meer wil weten over de fraters van Tilburg anno 1997 kan contact opnemen via internet).

Het antwoord van Tilburg was dat men het helemaal eens was met de noodzaak van een college. Helaas kon men nog niet aan het verzoek voldoen. Het zou beter zijn een andere religieuze groep aan te schrijven en hen een jaar of drie te gunnen voor de nodige voorbereiding.

Mgr. Kieckens haakte hier onmiddellijk op in en stelde de fraters voor zelf met deze voorbereiding te beginnen. Na veel overleg besloot Tilburg dat men binnen vier jaar een paar mensen naar Curaçao zou sturen.

In juni 1886 ging mgr. Kieckens naar Nederland. Op Curaçao had hij een stuk grond gekocht met een huis. Daar wilde hij beginnen met jongens van 7-9 jaar. In Tilburg vroeg hij alvast om een paar fraters voor de surveillance. De jongens zouden les krijgen van schoolmeester Huycke en mgr. Kieckens zelf zou voor het godsdienstonderwijs zorgen. Uiteindelijk kreeg hij drie fraters mee (en nog drie zusters voor het hospitaal). De groep kwam op 13 november 1886 na een tamelijk stormachtige reis aan op Curaçao.

In 1887 kwam de eerste frater-onderwijzer, frater Pancratius, bestemd voor het Colegio Santo Tomás.

In 1888 volgde frater Servatius, in 1889 frater Candidus en in 1890 frater Radulphus, allen bestemd voor het Colegio Santo Tomás.

Het begin van frater Radulphus

Op dat moment was fr. Radulphus, 21 jaar oud, vier jaar frater. Hij was ingetreden in het jaar (1886) dat de fraters naar Curaçao kwamen. Hij zou, afgezien van een onderbreking van 4 jaar, maar liefst 65 jaar op Curaçao blijven.

In 1891 volgde frater Radulphus de heer Cappelle op als hoofd van de school te Pietermaai. Tegelijkertijd gaf frater Radulphus ook les aan Colegio Santo Tomás, hetgeen zijn hoofdtaak was. Op Pietermaai kon hij dan ook slechts in zijn spaarzame vrije tijd komen. De schoolcommissie (van het gouvernement) maakte daar bezwaren tegen. Daarom werd spoedig de heer Gijzen benoemd tot hoofd te Pietermaai en kon frater Radulphus zich helemaal wijden aan het Colegio Santo Tomás.

In 1901 trokken de Venezolaanse studenten naar huis vanwege de politieke onrust in hun thuisland, met name in het gebied rond Merida. Het Colegio te Scherpenheuvel stond sinds augustus 1901 leeg en is nooit meer in gebruik genomen voor de opleiding van priesters.

Frater Radulphus naar Nederland

Sinds de stichting van de fraters van Tilburg had de groep bestaan uit paters (priesters) en fraters (in kerkelijke zin: leken= niet-priester).

Rond 1890 begonnen zich problemen te openbaren tussen (28) paters en (550)fraters. een van de wrijfpunten was bijvoorbeeld dat een pater zou kunnen komen werken onder een frater. Ook bleek het soms moeilijk een geschikte pater te vinden als overste van de hele congregatie. Een en ander leidde uiteindelijk tot een scheiding tussen de twee groepen.

Toen moest er een nieuw bestuur gekozen worden. Met vrijwel algemene stemmen werd frater Radulphus (die er niet bij was, omdat hij op Curaçao was) in september 1916 gekozen tot de nieuwe algemene overste van alle fraters. Hij is toen in allerijl vertrokken naar Nederland om zijn plaats in het nieuwe bestuur in te nemen. De vraag is echter of zijn hart toen al niet al te zeer bij Curaçao lag. Zo is het hem kwalijk genomen dat hij bij het 75-jarig bestaan van de congregatie (1919) niet in Nederland was, maar op Curaçao. De reden hiervoor was overigens dat hij na de eerste wereldoorlog toen pas op visitatiereis kon naar 'de West'. Hoe dan ook, in maart 1920 besluit frater Radulphus af te treden en een kapittel uit te schrijven voor de keuze van een nieuw bestuur. Als dat gebeurd is, keert frater Radulphus als hoofd van de fraters op de Antillen weer terug naar Curaçao. De periode van 4 jaar als generaal overste van de fraters is zeker niet de gelukkigste uit zijn leven geweest.

Wat was frater Radulphus voor iemand?

Het zal duidelijk zijn dat wanneer iemand 36 jaar de leiding krijgt over de activiteiten van de fraters hier, het iemand moet zijn met zeer goede bestuurstalenten. Niet dat hij daar een speciale opleiding in gehad. Nee, zoals zoveel fraters kwam hij hier naartoe met een onderwijzersdiploma en heeft hij zich zelf verder bekwaamd. Vervolgcursussen waren er in die tijd gewoon nog niet op Curaçao. Maar als autodidact is fr. Radulphus zich blijven ontwikkelen. Zo sprak hij niet alleen goed Nederlands, Spaans, Engels en Papiamentu, maar gaf als het nodig was tot grote tevredenheid van leerlingen en ouders, ook Italiaans, Frans of Duits.

Daarnaast had hij grote belangstelling voor en kennis van de exacte vakken, maar ook op het terrein van biologie werd zijn gezag erkend. Kortom, frater Radulphus was van veel markten thuis.

Frater Radulphus en het onderwijs

In het jaar 1907 kwam de bepaling dat men alleen nog onderwijs mocht geven met een wettelijk erkende bevoegdheid. Vanaf dat jaar was fr. Radulphus betrokken bij de examens die afgenomen of beoordeeld moesten worden.

In 1909 werd hij benoemd tot bisschoppelijk inspecteur van het r.k. onderwijs in de Nederlandse Antillen. Dat heeft hij alleen gedaan tot hij in 1945 een assistent kreeg die veel werk overnam. In 1955 trok fr. Radulphus (hij is dan 86 jaar!) zich terug uit deze functie. Het zal duidelijk zijn dat fr. Radulphus in al die jaren een geweldige invloed heeft gehad op de ontwikkeling van het (r.k.)onderwijs van de Nederlandse Antillen.

Het klinkt bijna ongelooflijk, maar naast dit alles had fr. Radulphus nog meer kwaliteiten. Zo was hij 'architect' en bouwkundig opzichter van menig schoolgebouw, zoals bijvoorbeeld het St.Thomascollege met de bogen die zo kenmerkend zijn voor de 'Radulphusstijl'.

Waar hij van hield

Had frater Radulphus naast dit alles nog wel tijd voor hobby’s? Ik weet het niet, maar bekend is dat hij van reizen hield. Gelukkig voor hem bracht zijn functie met zich mee dat hij met regelmaat op reis moest naar het Caribisch gebied of Noord- en Zuid-Amerika. De reis naar Nederland heeft hij maar liefst 20 keer gemaakt. Hij voelde zich thuis op zee. Meer dan eens heeft hij verklaard: 'Als ik ziek word, zet me dan op een schip, dan word ik vanzelf beter.'

Vriend van velen

Frater Radulphus was een gezellig iemand. Hij waardeerde attenties en was zelf ook attent tegenover anderen. In zijn ijver om iedereen tevreden te stellen, was hij wel eens te goed van hart. Of deed hij beloftes waarvan niet iedereen het nut kon inzien. Dan leek het wel of hij te goed was voor deze wereld.

Afscheid in 1959

Op 18 april van het jaar 1959 wordt afscheid genomen van frater Radulphus. De bijeenkomst begon met het zingen van het Curaçaose volkslied, in 1898 door fr. Radulphus op tekst gezet. Uit zijn dankwoord noteren wij het volgende:  'Bij dit afscheid overheerst bij mij een gevoel van dankbaarheid wanneer ik terugzie op de vele scholen die ik heb mee mogen oprichten, inzonderlijk echter deze school [RC], die ik van het allergrootste belang acht voor Curaçao, waar het katholieke element, jammer genoeg en onbegrijpelijk, niet genoeg naar voren komt. Ik wens u, directeur en leraren, toe dat zij u, leerlingen, mogen vormen tot mannen [er waren toen ongeveer 288 jongens en 3 meisjes op het RC] die een sieraad zijn voor Kerk en Maatschappij, tot rustige bedaarde burgers, geen herriemakers vol woorden maar zonder daden, in liefde voor uw volk en land waarvan iets moois te maken is.'

Misschien mag het een troost zijn voor sommige leerlingen dat in maart 1892, fr. Radulphus is dan 23 jaar en net twee jaar op Curaçao, zijn overste over hem schrijft: 'Zeker is het, dat frater Radulphus geen groot gezag heeft en niet krachtig kan optreden.'

Op zaterdag 22 april 1961 overlijdt frater Radulphus op de leeftijd van 91 jaar.
Een groot man waarvan onze school met trots de naam draagt!

Loek Heijst
(met dank aan frater Max Ghering voor het bronnenmateriaal)