|
|
|
|
Je ziet als eerste de doelstellingen van het moduul, vervolgens wordt uitgelegd hoe het cijfer berekend wordt, dan vind je een aantal mogelijke opdrachten. Tot slot de studiewijzer. Hierboven vind je nog een link naar een proeftoets voor dit moduul. Wat je moet kennen en kunnen voor het Centraal Schriftelijk Examen én het schoolexamen is het volgende:
1 De kandidaat kan verschillende structuren van een netwerk benoemen en de bijbehorende kenmerken beschrijven, zoals: a. een netwerk beschrijven als een groep stations die met elkaar in verbinding staan; b. uitleggen dat knooppunten altijd computers zijn; c. een LAN beschrijven; d. een WAN beschrijven; e. de structuur van verschillende netwerken kunnen aangeven en/of tekenen, namelijk voor point-to-point, busnetwerk, sternetwerk, ringnetwerk en maasnetwerk. 2
De kandidaat kan van een aantal begrippen een omschrijving geven en
toepassingen noemen, zoals bits per
second (bps en Kbps), protocol, off-line, on-line, Internet, World Wide Web
(WWW), e-mail, Electronic Data Interchange (EDI), inloggen, uitloggen, sms,
wappen. 3 De kandidaat kan: a. de elementen van een relationeel schema benoemen en de betekenis van de elementen beschrijven. b. een informatiebehoefte omzetten in een informatievraag en deze in een vraagtaal voor een relationele database formuleren. 4 De kandidaat kan de volgende faciliteiten van een databasemanagementsysteem benoemen: a. creatie van bestanden; b. raadpleging en wijzigingen aanbrengen in bestanden; c. beveiliging van bestanden (gebruikerstoegang en transacties); d. rapporteren. 5 De kandidaat kan een informatievraag in SQL voor een relationele database formuleren en gebruiken.De kandidaat kan: a. kolommen in tabellen selecteren (select from, select distinct from); b. records op condities selecteren (where); c. geselecteerde records groeperen (group by); d. records sorteren (order by); f. de statistische functies min, max, sum, avg, count gebruiken; g. de operatoren not, and, or gebruiken 6 De kandidaat kan: a. de kenmerken en aspecten van databasemanagementsystemen beschrijven en voor specifieke systemen benoemen en gebruiken. Algemeen 7 De kandidaat kan: a. uitleggen wat er met het begrip privacy wordt bedoeld en aangeven op welke wijze moet worden omgegaan met persoonsgebonden gegevens in verband met de bescherming van de privacy (zoals het voorkomen van inzage en gebruik door vreemden met behulp van fysieke beveiliging of een wachtwoord); b. uitleggen dat beveiliging nodig is tegen (on)opzettelijke beschadigende of vernielende handelingen met normale (systeem)software (zoals het veranderen van een file of een formatteer opdracht) en (systeem)softwarefouten die kunnen optreden (zoals een crash) bijvoorbeeld met back-up en recovery; c. uitleggen wat computervirussen zijn en hoe deze zich verspreiden en aangeven hoe tegen beschadiging of vernieling te beschermen (zoals met antivirussoftware en back-up en recovery); d. uitleggen wat een firewall is en aangeven dat voor beveiliging tegen vreemden die door middel van een netwerkverbinding onbevoegd toegang wensen te krijgen in een computersysteem (zoals hacken) een firewall beter is dan een wachtwoord alleen; e. uitleggen dat voor de beveiliging van (systeem)software en gegevens tegen fysiek onheil in een (computersysteem)ruimte (zoals inbraak, stroomuitval en brand) kan worden opgetreden met fysieke beveiliging (zoals afgesloten en brandvrije ruimte), back-up in brandvrije kluis en noodstroomvoorziening.
1 Je kent een aantal datacomm toepassingen zoals telewerken, teleleren, videoconferencing, gsm, GPRS, UMTS, GPS, elektronisch betalen, e-business, en EDI; tevens ken je er de voordelen en nadelen van 2 Je weet wat een intranet en een extranet inhouden 3 Je kent diverse vormen van beveiliging van een computernetwerk 4 Je kent de meest toegepaste transportmedia in netwerken, met hun mogelijkheden en beperkingen 5 Je kent technieken als ISDN, ATM en ADSL 6 Je weet wat een (kabel)modem is en wat de functie ervan is 7 Je weet wat een netwerkkaart is 8 Je kunt een klein netwerkje tekenen en configureren 9 Je kent het begrip transmissiesnelheid en kent de uitdrukking BAUD 10 Je kent enkele netwerkprotocollen - de meest bekende protocollen zijn momenteel: TCP/IP, UDP, SMTP, POP(3), IMAP, HTTP, FTP 11 Je weet waar het OSI referentiemodel voor staat en kent globaal de functie van elke laag 12 Je kent de volgende netwerkcomponenten; hub, switch, repeater, router en weet waar ze het best kunnen worden toegepast 13 Je kent enkele functies van mensen die zich met netwerken bezighouden Cijferbepaling moduul
Overzicht groepen opdrachten en presentaties
Laatste update - donderdag 03 augustus 2006 |